De erfenis van de bouwwoede en de renovatie-opgave
docenten
studenten
actoren
contact
De Universiteit Gent kende een sterke groei in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, wat leidde tot een aanzienlijke toename in het gebouwd patrimonium. Een groot deel van deze gebouwen zijn vaak slecht geïsoleerd, bevatten verouderde energietechnologie en zijn nodig aan renovatie toe, zeker in het licht van de energietransitie. De Universiteit zal moeten investeren in een duurzame renovatie van dit patrimonium en stelt daarom op dit moment een ambitieus investeringsplan op. De complexiteit van deze renovatie-opgave is echter enorm. Talloze vragen komen naar voren. Wordt het huidig gebruik behouden of komt er nieuw gebruik in de plaats? Of is het beter om te verkopen of zelfs te slopen en elders te herbouwen? Hoe ziet het toekomstig beheer eruit? Hoe pakken we de renovatie bouwtechnisch aan? Hoe bewaken we de architecturale kwaliteit van dit patrimonium als we renoveren? Wat is de (toekomstige) relatie van dit patrimonium met de bredere context van de campus en de wijk als het gebruik zou veranderen?
In dit masterproefatelier gaan studenten aan de slag met deze brede waaier aan opborrelende vragen. Ze worden in dit atelier mee begeleid door de medewerkers van de Dienst Gebouwen en Facilitair Beheer en de Milieudienst van de Universiteit Gent, alsook door het Team van de Gentse Stadsbouwmeester.
De Universiteit werkt op dit moment aan een ambitieus investeringsplan om het patrimonium uit de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw duurzaam te renoveren. Hoewel dit een eenvoudige operationele vraag lijkt, is de complexiteit bij nader inzien groot. Het gaat om patrimonium van allerlei aard dat zich niet leent voor een passe-partout aanpak. Bovendien zijn allerlei denkrichtingen mogelijk. Men kan ervoor kiezen om een gebouw te renoveren in de huidige vorm in functie van het huidig gebruik, maar men kan ook abstractie maken van dit huidig gebruik. Men kan er ook voor kiezen om een gebouw af te breken en anders te herbouwen, mogelijks compacter en aan hogere dichtheden. Tegelijk kan het wenselijk zijn om gebouwen van de hand te doen, of te ruilen met andere partners.
Het patrimonium uit de jaren 60 en 70 stelt ook specifieke bouwtechnische uitdagingen. Vele gebouwen kennen gebruik van zichtbeton en hebben vele thermische bruggen. Tegelijk bepaalt de wijze van constructie de architecturale eigenheid en is het vanuit esthetisch oogpunt niet voor de hand liggend om de gebouwen zomaar in te pakken en de bestaande structuur te verbergen achter een isolatiepakket. Ook hier geldt dat maatwerk noodzakelijk zal zijn om tot de juiste afstemming tussen technische randvoorwaarden en ontwerpkeuzes te komen.
De renovatieopgave is niet alleen een kwestie van infrastructuur en techniek, maar is ook een uitdagend beheervraagstuk. De verandering zal in overleg moeten plaatsvinden met de huidige en toekomstige gebruikers van dit patrimonium, want die gebruikers vormen een belangrijke sleutel voor het verbeteren van de duurzaamheid. Daarnaast speelt het beheer een belangrijke rol om anders met infrastructuur om te gaan. Wil een Universiteit bijvoorbeeld nog lampen kopen of wil het voor licht betalen volgens het principe van ‘pay per lux’, waar je enkel betaalt voor het hoeveelheid licht dat je effectief gebruikt? Deze nieuwe paradigma’s stellen grote vragen over het beheer en de infrastructuur. Zelfs op een meer fundamenteel niveau is ook nog niet beantwoord hoe wenselijk de introductie van dergelijke concepten zoals ‘pay for lux’ is.
In de meest ingrijpende scenario’s, waarin gebouwen of grondposities worden geruild of verkocht, infrastructuur met andere partners wordt gedeeld, stelt het renovatievraagstuk de Universiteit voor heuse bestuurlijke uitdagingen. Welke nieuwe bestuurlijke arrangementen zijn nodig om de samenwerking rond warmtenetten, rond wijkparkeren of rond integrale mobiliteit mogelijk te maken? Kunnen de campussen van de Universiteit opgaan in de stedelijke deeleconomie van morgen? Hoe kan de universiteit daar voordeel aan ontlenen en mogelijks oplossingen vinden voor de budgettaire krapte, en zo participeren in de brede stedelijke duurzaamheidstransitie?
Wat is een masterproefatelier?
In een masterproefatelier van de Stadsacademie onderzoeken studenten uit verschillende opleidingen, in het kader van hun bachelor- of masterproef, eenzelfde stedelijke duurzaamheidskwestie. Stedelijke actoren zoals beleidsmakers, experts, burgercollectieven en middenveldorganisaties worden gedurende het hele proces betrokken, van het formuleren van het probleem en de onderzoeksvragen tot de valorisatie van de inzichten. In de masterproefateliers staan leren van elkaar en experimenteren centraal. Met het onderzoek en de resultaten proberen we bij te dragen aan maatschappelijke verandering richting duurzame steden.