Groen in Gentse Wijken
docenten
contact
In het vak ‘Duurzame steden’ verkennen we tijdens het academiejaar 2026-2027 veelbelovende praktijken rond vergroening en 'nature-based solutions' (NBS) in Gentse stadswijken. Door relationele benaderingen te stimuleren en grondig na te denken over wat en wie wordt bediend, worden we mogelijks ontvankelijk voor alternatieve verbeeldingen over de duurzame stadswijk van de toekomst die rekening houdt met zowel de leefomgeving voor mensen als lokale ecosystemen en niet-menselijke soorten.
We willen duidelijk maken dat complexe duurzaamheidskwesties, zoals vergroening van Gentse wijken, op verschillende manieren (kunnen) worden gekaderd en verschillende aannames, belangen, waarden, bezorgdheden en schalen deze kaders bepalen, waardoor zowel de omschrijving van het probleem als de keuze voor oplossingen kan verschillen.
In het vak worden voornamelijk actieve werkvormen gehanteerd om:
- meerdere Gentse niche-initiatieven kritisch te analyseren;
- toekomstbeelden te schetsen, inclusief een lichte ‘backcasting’-oefening;
- 'student-led’ lessen te organiseren rond dit jaarthema;
- eigen onderbouwde argumentatie rond duurzame stadsontwikkeling en het jaarthema te ontwikkelen (mondeling examen).
De vergroening van de stad staat hoog op de agenda, vooral door de toenemende klimaatverstoring en het groeiend inzicht van positieve gezondheidseffecten. Tijdens hittegolven zorgt groen voor verkoeling door schaduw en verdamping. Bomen slaan ook koolstof op en zorgen voor een betere luchtkwaliteit. Specifieke boomsoorten capteren tegelijk fijnstof. Meer groenaanleg verbetert bovendien de waterhuishouding van de stad en laat de stedelijke bodem terug functioneren als een spons. Groen blijkt ook een essentiële bron van stedelijke biodiversiteit en een habitat voor verschillende dieren, wat een mogelijk antwoord vormt voor biodiversiteitsverlies dat onder meer door verstedelijking wordt veroorzaakt. De vele voordelen van stedelijk groen worden vandaag doorgaans aangeprezen als evidente ‘nature-based solutions’ (NBS). Dat was ooit wel anders. In een niet zo ver verleden kregen het Sint-Pietersplein en de Korenmarkt in Gent een compleet minerale heraanleg. Verharde en verkeersluwe pleinen laten vele evenementen toe, en men was trots op het herstel van de 19de-eeuwse esthetiek waarbij de gevels het decor vormen voor een vrij te gebruiken publieke ruimte. Vandaag worden diezelfde pleinen heel anders bekeken. Het stadsbestuur zoekt nu net manieren om er bomen adequaat aan toe te voegen en het maaiveld in te richten zodat regenwater kan infiltreren en worden gebufferd.
Deze omslag toont dat wat gisteren en vandaag als ‘vanzelfsprekende’ stedelijke inrichting geldt, altijd het resultaat is van een contextspecifiek en politiek proces. Daarbij mogen we de verschillende framings en discursieve strijd niet uit het oog verliezen. Zo benaderen ecologen en biologen stedelijk groen en/of NBS in de eerste plaats vanuit biodiversiteit en ecosysteemdiensten, terwijl heel wat stedenbouwkundigen en ingenieurs er vooral een functioneel alternatief voor grijze infrastructuur in zien, gericht op waterbuffering en de bestrijding van hitte-eilanden. Voor vastgoedontwikkelaars en stadsmarketeers fungeert vergroening dan weer als waardevermeerdering, waarbij de inzet het vastgoed en/of het stadsimago aantrekkelijker maken. Bepaalde stadsgeografen en politieke ecologen reageren daar kritisch op en wijzen op verdringingseffecten en de ongelijke toegang tot vergroening, waarbij concepten zoals ‘green gentrification’ en ‘green grabbing’ worden gehanteerd. Hun strijd stelt terecht dat vergroening en/of NBS niet enkel ecologisch, maar ook sociaal rechtvaardig moet zijn. Volgens Fraser en Schlosberg gaat het dan niet alleen om wie toegang heeft tot groene voorzieningen (distributieve rechtvaardigheid), maar ook om wie betrokken wordt bij de besluitvorming (procedurele rechtvaardigheid) en wiens waarden en kennis over 'natuur' erkend worden (rechtvaardigheid van erkenning). In het vak duurzame steden willen we de mogelijke voordelen van vergroening en NBS wel erkennen, maar dus tegelijk het ogenschijnlijk neutrale en a-politieke karakter ervan in vraag stellen.
Met het ‘vergroenen van stadswijken’ en NBS als jaarthema willen we in het vak ‘Duurzame steden’ bovendien ook grondig nadenken of je ‘natuur’ als een soort los ingrediënt zomaar kan toevoegen aan de stad. Auteurs zoals Haraway, Latour, Blaser en Escobar leveren kritiek op dergelijke ‘moderne’ scheiding en benadrukken de relaties tussen entiteiten. Een stadswijk kan dan worden beschouwd als een netwerk van soorten (mensen en ‘more-than-humans’ zoals mossen, duiven, ratten, bomen, microben, regenwater) die elkaar voortdurend maken en beïnvloeden, waarbij dit netwerk doorkruist wordt door ongelijke machtsposities en botsende ontologieën (wiens ‘natuur’ telt bij NBS?). Dit wijkt sterk af van de klassieke visie op de stad als antropocentrische “humanist citadels, constructed for and by humanity alone” (Franklin, 2017).
Ook de andere component van NBS, met name ‘solutions’, roept bij ons vragen op, voornamelijk omdat het vertrekt vanuit een klassieke probleem-standaardoplossing-logica die de complexiteit van de kwestie onvoldoende erkent. Gegeven bovenstaande paragraaf over ‘natuur’ is het zinvol stil te staan bij contextspecifieke, langdurige en rommelige verwantschappen, de talrijke onderlinge afhankelijkheden en onrechtvaardige machtsdynamieken.
Over het vak
In het keuzevak ‘Duurzame steden’ wordt telkens een specifieke duurzaamheidskwestie vanuit meerdere contexten, perspectieven en technieken benaderd. We starten steeds met enkele inleidende hoorcolleges over duurzaamheids- en transitiedenken, alsook stadstheorie en stedelijke vraagstukken, maar stellen nadien vooral interactieve werkvormen en groepswerk centraal om het jaarthema grondig en kritisch te verkennen.