Tussenruimtes van de zorgcampus Guislain
auteur(s)
Proloog
De thesis begint bij het domein van de zorgcampus dr. Guislain en haar stedelijke context. Oorspronkelijk opgericht als een enclave, geheel omsloten door landelijk gebied ten noorden van de Brugse Poortwijk, bevindt de zorgcampus zich nu in een geheel andere context: door de continue stadsuitbreiding ontwikkelde zich begin de 20ste eeuw een arbeiderswijk rond het domein, wat maakt dat de campus nu gelegen is in een dicht verstedelijk gebied in Gent, namelijk de Bloemekenswijk (aangeduid op volgende kaart). Door de recente nieuwbouw van de cluster Fioretti – De Steiger, twee afdelingen van het psychiatrisch centrum, kwam er vanuit de stad de eis dat de zorgcampus ook een publiek doorwaadbare zone organiseert. De spanningen die dit ‘openbare’ karakter tegenover de integriteit en privacy van het psychiatrisch centrum met zich meebrengt, vormen dan ook het uitgangspunt van deze thesis.
Het toenmalige Guislaingesticht evolueerde doorheen de tijd tot de huidige zorgcampus dr. Guislain. Vandaag herbergt de site dan ook een veelvoud aan functies: een psychiatrisch centrum, een museum voor de geschiedenis van de psychiatrie, een school voor verpleegkunde, een socio-cultureel centrum… de veelzijdigheid van de site zorgt ervoor dat ze duidelijk niet onder één specifieke noemer valt, wat tegelijkertijd een interessante situatie oplevert: de verschillende functies trekken een breed publiek aan tot het domein en een diverse samenstelling van mensen is het resultaat.
De openheid van de site, de laagdrempeligheid van de gebouwde omgeving, de verschillende functies die enten op de campus… zijn factoren die bezoekers aantrekken uit de buurt (en daarbuiten). Doordat het centrum deel uitmaakt van de buurt, openen zich diverse opportuniteiten en wordt er een bijzondere relatie aangegaan met het omliggende stadsweefsel: dit aspect wordt in deze scriptie dan ook onderzocht, onder andere door de grenzen van het domein te analyseren en hoe de verhouding tot het werkelijk publieke domein – de straat – zich manifesteert. De bijzonder eisen van de zorginstelling maken dat de open ruimten niet louter ‘openbaar’ zijn, maar zich manifesteren als een publieke ruimte van gedeelde ervaring tussen mensen met diverse profielen. Dit leidt zo terug op Henri Lefebvres ruimtelijk gedachtegoed, die stelt dat de ruimte geen neutrale, objectieve entiteit is, maar begrepen moet worden als een product van sociale relaties, machtsdynamieken en culturele praktijken.
De vormambiguïteit, verwarring over functies en een onheldere voor- en achterkant beroven de site echter van duidelijkheid. Architectuur, wat altijd verweven is geweest in sociale en culturele dimensies, speelt hierin een belangrijke rol. Ze werkt verbindend in onze samenleving, zowel in stedelijke context als op de kleinere schaal. Architectuur nodigt uit, leidt om, toont en verstopt – zo ook in het geval van de zorgcampus. Toch gebeurt dat niet altijd heel duidelijk, wat ook voor spanningen zorgt. De vragen over de kenmerken van de hedendaagse architectuur die een grensruimte aangeven, leiden tot een analyse van niet alleen de grenzen zelf, maar ook van de rol van de gebruiker en zijn interpretatie, van de maatschappelijke rol of van de extensie van de institutionele ruimte buiten de fysieke grenzen, van de algemene context gecreëerd door het ontwerpen van een architectuur die nauw verbonden is met sociale of institutionele missies.
Zo stelt deze thesis zich dezelfde vraag die in het boek van Roland Barthes gesteld wordt: “What does it mean?” Dat gesproken of geschreven taal iets betekent is algemeen geweten, maar dat ook gebouwen (en de zo begrensde of omsloten ruimten) betekenis hebben, is een minder gangbaar idee. Veel wordt natuurlijk duidelijk door de materiële verschijning: iemand heeft besloten wie het gebouw mag gebruiken, langs waar men het gebouw betreedt, of het al dan niet geladen is met expliciete symbolen… Dit alles maakt deel uit van het verhaal van het gebouw, maar we vinden het nog steeds moeilijk om te zeggen dat het iets betekent, dat er onzichtbare structuren aanwezig zijn. De boeiende condities van de zorgcampus en de ambitie om het psychiatrisch centrum meer open te stellen, brengen een aantal vragen met zich mee: wat is het statuut van de verschillende (open) ruimten? Wat betekenen die ruimten? Hoe brengen ze die ‘betekenissen’ over?
Op die vragen introduceert deze scriptie de term ‘tussenruimte’, een term die in de discussie over architectuur vaak naar boven komt (onder andere in het boek The Space Between van de Smithsons, Van Eyck’s ‘in-between space…). De tussenruimten die zich bevinden in de heterotopie van het psychiatrisch centrum en museum dr. Guislain kunnen op verschillende manieren geïnterpreteerd worden: het zijn ruimten tussen exterieur en interieur, tussen openbaar en privaat, tussen de ene ruimtelijke conditie en de andere. Tussenruimten zijn dan de ‘derde ruimten’, waar de eerste en tweede samenkomen, om zo een derde te genereren. Met de notie ‘heterotopie’ wordt hier expliciet verwezen naar Frans filosoof Michel Foucault, die de term gebruikt om te spreken over ruimten die breken met dominante normen. Dit begrip zal dan ook als leidmotief doorheen de thesis gebruikt worden.
— Proloog, overgenomen uit de masterproef.